De zin en onzin van de categorievermelding

Wie een bieretiket goed leest - en daar heb je meestal een vergrootglas voor nodig - zou het kunnen opvallen dat veel Nederlandse brouwerijen - nog steeds - een categorie-indeling hanteren voor hun bier. Zo valt een pilsener in categorie 1 of I, en veel speciaalbieren in categorie S. Zij doen dit vrijwillig, maar het voegt niets toe voor de consument. Hoog tijd om dit relikwie uit het verleden bij de schroothoop te zetten.

Voordat we dat doen, moeten we eerst een duik in het verleden nemen. Wat betekenen deze categorieën? Waarom gebruiken Nederlandse brouwers deze indeling? En waarom komen we deze indeling niet tegen bij hun buitenlandse broeders? Om een antwoord op deze vragen te geven, moeten we eerst een een kijkje nemen bij de situatie zoals deze was voor  2015 en daarna naar de huidige situatie kijken.

Situatie voor 2015

De indeling in categorieën was tot en met 2014 vastgelegd in de Bierverordening 2003 van het Productschap Dranken. Op grond van artikel 4 van de Bierverordening werden bieren ingedeeld in de categorieën S, I, II en III aan de hand van het extractgehalte van de wort. Zo moest pils een stamwortgehalte hebben van minimaal 11% en maximaal 13,5% en viel het dus - op grond van de Bierverordening - in categorie I. Alcoholvrije en alcoholarme bieren mochten maximaal een extractgehalte van 2,2% hebben en vielen in categorie III. De meeste 'speciaal'-bieren vielen op basis van hun stamwortgehalte van 15,5% of hoger (en dus hogere alcoholgehalte) in categorie S.

In artikel 7, lid 3 van dezelfde verordening was bepaald dat deze categorie ook op het etiket mocht worden vermeld. Op grond van hetzelfde artikel was het verboden om het stamwortgehalte op het etiket te vermelden. Waar in andere landen het stamwortgehalte juist wel werd vermeld, wilde men hier in Nederland niet aan. Te verwarrend voor de consument, vond men.

Situatie na 2015

Zo was het geregeld tot en met 31 december 2014. De Bierverordening bestaat echter al meer dan twee jaar niet meer. Per 1 januari 2015 werd het Productschap Dranken opgeheven en kwam deze regeling ook te vervallen. Alleen de definities van bier en een aantal soorten bier werden (deels) overgenomen in het Warenwetbesluit Gereserveerde Aanduidingen.

Maar de indeling in categorieën dus niet. Die hield op te bestaan. En dat was maar goed ook. De Bierverordening was nu eenmaal niet het beste stukje regelgeving dat we in Nederland hebben gehad. Dat is één ding dat Rutte en zijn kompanen in ieder geval goed hebben gedaan: het Productschap Dranken en de Bierverordening bij het grofvuil zetten. 

Toch gebruiken nog veel brouwerijen deze indeling in categorieën op dit moment. Follow benaderde twee van Neerlands grootste brouwerijen en vroegen waarom zij dit nog steeds deden. Daarvoor gaven ze verschillende redenen aan. De ene brouwer doet het omdat 'bij een aantal consumenten nog wel verwachtingen bestaan omtrent het bier indien een categorie vermeld staat op het etiket'. Een andere brouwer meldt dat het een keuze is van de marketingafdeling; speciaal voor kenners.

Wel of niet vermelden?

Er is een aantal redenen aan te wijzen waarom deze indeling, die uniek was voor Nederland en nergens anders ter wereld werd gebruikt, werd gehanteerd. Ten eerste is deze indeling in stamwort-categorieën ook van belang voor de bepaling van het accijnstarief dat op het betreffende bier van toepassing is (zie artikel 7 van de Wet op de Accijns). Hierbij moet worden vermeld dat de indeling hetzelfde is als die van de niet meer bestaande Bierverordening, maar dat de benamingen S, I, II en III in de Wet op de Accijns ontbreken.

Voor de brouwer blijft de indeling dus wel degelijk van belang. Voor de consument niet. De consument heeft niets aan het vermelden van de categorie op het etiket. De indeling bestaat niet meer en bijna niemand weet wat waar deze indeling voor staat. Enkel een paar mastodonten van bierkenners weten nog waar deze indeling over gaat, maar mastodonten sterven uit. Met andere woorden, het is non-informatie voor de consument.

Het alternatief

Het vermelden van het stamwortgehalte, zoals in sommige andere landen wordt gedaan, zou een alternatief kunnen zijn. Met het afschaffen van de Bierverordening is dit ook niet meer expliciet verboden. Toch doen nog maar weinig brouwers dit. Dat is ook logisch, want ook het stamwortgehalte is een nietszeggend begrip voor een consument. Leuk voor brouwers, leuk voor bierkenners, maar de consument zegt het niets. Bovendien zit het vermelde stamwortgehalte niet meer in het bier. Na de vergisting zijn de suikers immers grotendeels omgezet in alcohol en koolzuur en is het stamwortgehalte danig lager geworden. Als je de vergistingsgraad niet kent of snapt, heb je niets aan het stamwortgehalte. 

Conclusie

Brouwers, stop maar met het vermelden van de categorie van je bier op het etiket. Daar zit niemand op te wachten. Het stamwortgehalte is leuk, vermeld het vooral als je dat graag wilt. Maar voor de consument is met name het alcoholpercentage en een adequate smaakomschrijving van belang!

Stemmen voor accijnsverhogingen

In december 2016 van het vorige jaar liet staatssecretaris Van Rijn van Volksgezondheid een proefballonnetje op waarin hij opriep om de accijnzen op alcohol te verhogen waardoor het drankgebruik in Nederland zou worden verminderd. Met een wetenschappelijk rapport wapperend in zijn hand wees hij er op dat dit effect inderdaad bewezen was. Overigens zou hij zelf geen wetsvoorstel indienen, maar liet hij dit over aan de nieuwe regering die zal worden gevormd na de verkiezingen in maart 2017.

Daar word je als bierliefhebber en bierdrinker niet vrolijk van, van dit soort berichten. Bier is immers al duur genoeg, zeker speciaalbier (als dat al bestaat) en zeker in de horeca. Daar betaal je al het volle pond voor je biertje. En dus zit je niet te wachten op de volgende prijsverhoging, zeker niet als die in de zakken van de minister van Financiën zou verdwijnen om een gat in de begroting mee te dekken.

Over de prijs van bier kun je veel zeggen. Te laag in de supermarkt (pils). Te hoog in de horeca. En dan hebben we het nog niet eens over al die bieren van die kleine brouwerijtjes, die allemaal de hoofdprijs voor hun product vragen. Daar kunnen we epistels over schrijven, maar dat zullen we nu niet doen. Het gaat nu om het onzalige idee om de belastingen op bier opnieuw te verhogen. Immers de Nederlandse overheid graaide de afgelopen jaren al behoorlijk in de knip van de bierdrinker: in 2012 ging het BTW-tarief van 19% naar 21%, gevolgd door forse accijnsverhogingen in 2013 en 2014. Lees hier meer over in dit artikel.

Wie moet je nu eigenlijk stemmen bij de Tweede Kamer verkiezingen om een accijnsverhoging tegen te houden? Bij wie is je biertje nog veilig? We deden een rondje langs de politieke velden en vroegen de politieke partijen om hun standpunt in dezen. Uitgesproken tegenstanders van een accijnsverhoging zijn de PVV, de VVD en de SP. Bij de uitgesproken voorstanders vinden we de SGP en DENK. De ChristenUnie meldde keurig dat ze nog geen standpunt hadden ingenomen. En PvdA, CDA, D66 en GroenLinks namen niet eens de moeite om te reageren. Van deze vier partijen stemmen PvdA, CDA en GroenLinks meestal voor een accijnsverhoging. Alleen D66 staat hier genuanceerder in. 

Wat nu? Dit is geen stemadvies. Stemmen doe je niet alleen voor de prijs van je glaasje bier. Daar spelen heel veel andere factoren en afwegingen bij mee. Wij wensen u veel wijsheid en verstand in het stemhokje op 15 maart 2017. En proost! 

Er zijn teveel cafés

Er zijn teveel cafés

De Horecava 2016 was nog maar nauwelijks begonnen of het bericht kwam naar buiten dat cafés in Nederland het zwaar hebben. Dat gebeurt bijna ieder jaar en ook dit jaar was daarop geen uitzondering. Het CBS (Centraal Bureau voor de Statistiek) meldde dat waar andere traditionele horeca, zoals restaurants en hotels, zich hebben hersteld van de crisis, onze cafés ver achter zijn gebleven. Het CBS concludeerde dit uit haar waarneming dat de omzet van cafés in de eerste drie kwartalen van 2015 7 procent onder het niveau van het topjaar 2007 lag, terwijl restaurants en hotels juist weer terug zijn op het oude niveau van 2007.

Hoe kan dat? Wat is hier aan de hand? Wat hebben restaurants en hotels wat cafés niet hebben? Zijn 'onze' cafés in gevaar? Moeten we de barricades op om 'onze' cafés te redden? Of zijn ze al niet meer te redden?

Omzet bestaat uit prijs en volume. Laten we eens naar de prijs kijken. De prijzen in cafés lagen in 2015 volgens het CBS ruim een kwart hoger dan in 2007. Dat is opmerkelijk, want deze prijsstijging was hoger dan bij andere horeca en ook hoger dan het algemene inflatieniveau in Nederland in die periode. Veel vingers wijzen meteen naar de overheid die om de schatkist te spekken BTW- en accijnsverhogingen heeft doorgevoerd, maar het effect daarvan op de prijs is slechts beperkt en geldt bovendien ook voor restaurants en hotels.

Geen enkele vinger wijst naar de werkelijke oorzaak: brouwerijcontracten en brouwerijen - groot en klein - die jaarlijks hun prijzen verhogen in de horeca, Uit een onderzoek van enige jaren geleden bleek dat horecaondernemers tweemaal zoveel moeten betalen voor hun bier in vergelijking met supermarkten. Kunstmatig hoge prijzen werken verlammend in de markt en houden cafés in een wurggreep. 

Dan het volume. Het volume van de café-omzet lag in 2015 ruim een kwart onder het niveau van 2007. Ook hier wijzen de vingers meteen naar de overheid: het rookverbod en de verhoging van de leeftijd voor het drinken van alcohol naar 18 jaar. Ook zijn er andere concurrrenten op de horecamarkt bijgekomen, zoals dorpshuizen, zorginstellingen en detailhandel. Dat zijn inderdaad factoren die het cafébezoek niet hebben aangemoedigd en eerder hebben ontmoedigd. Maar er is meer. De prijsverhogingen die jaar en jaar zijn doorgevoerd hebben ook een effect gehad op het aantal bezoekers en daarmee op het niveau. Cafébezoekers zijn niet gek. Zij kunnen hun geld maar één keer uitgeven.

Hoe groot deze effecten individueel zijn, is moeilijk te zeggen, maar we kunnen stellen dat het rookverbod, de alcoholleeftijd en de toegenomen concurrentie door toetreders veel minder invloed hebben gehad dan de prijsverhogingen. Het is struisvogelpolitiek om dit effect te blijven ontkennen. Brouwerijen en horecaondernemers zouden moeten erkennen dat de prijzen in de horeca te hoog zijn en omlaag moeten.

De gevolgen laten zich raden: lege cafés en een groot aantal sluitingen. In 2008 telde Nederland nog ruim 13 duizend cafés. Begin 2015 was dit aantal met 13 procent gedaald tot ruim 11 duizend. De grootste dalingen deden zich in deze periode voor in de provincies Groningen, Drenthe en Limburg waar het aantal cafévestigingen met ruim 20 procent terugliep. Flevoland was de enige provincie met een toename van het aantal cafés.

Het is onvermijdelijk dat er de komende jaren nog veel meer cafés hun deuren zullen sluiten. Het platteland loopt leeg en de kroeg heeft daar nauwelijks toekomst meer. Mensen drinken hun drankje meer en meer thuis, daardoor aangemoedigd door brouwerij en supermarkt. In grote steden en in uitgaanscentra zijn nog veel mogelijkheden, maar horecondernemers moeten daar wel creatief en innovatief. En concurrerend met hun prijzen.