Delft

Met meer dan 200 bierbrouwerijen binnen haar stadsmuren was Delft tussen 1500 en 1650 de belangrijkste bierproducent in Holland, niet alleen in kwantiteit maar ook in kwaliteit. Dit was bier van haver, gerst en tarwe met gagel in plaats van hop. Jaarlijks rolden er tussen de 350.000 en 500.000 vaten uit de brouwerijen, wat neerkwam op een productie tussen de 50 en 80 miljoen liter. Die vaten werden grotendeels 'geëxporteerd' naar België en ook naar steden als Den Haag en Rotterdam, maar ook de eigen bevolking lustte er wel pap van. Van jong tot oud werd er bier gedronken, ook omdat het 'gezond' was, in ieder geval gezonder dan het drinken van water uit de grachten. 

Omdat ook een aanzienlijke lakenindustrie had die het grachtenwater aanzienlijk vervuilde, werden deze twee stromen goed gescheiden. De lakenindustrie werd alleen in het oosten van de stad toegestaan, terwijl de brouwerijen in het westen van de stad hun bier maakten aan de Oude Delft, Voorstraat en Koornmarkt, waarna het water werd afgevoerd via de Schie. Vers water werd via de Nootdorpervaart de Kantoorgracht opgepompt en richting Oude en Nieuwe Delft geleid. Die tijden zijn allang vervlogen. De brouwerijen verdwenen uit de stad. De Tachtigjarige Oorlog zorgde voor de ineenstorting van de bierindustrie in Delft. In 1647 waren er nog maar 27 brouwerijen over en in 1784 nog maar drie.

Waar de brouwerijen verdwenen, bleef de bevolking van Delft dol op bier. Dat is de reden waarom je hier relatief veel biercafés vindt. Ook de brouwerijen lijken nu weer mondjesmaat terug te keren met de Bierfabriek Delft en De Koperen Kat.

Jazzcafé Be-Bop

Doerak

Bierhuis de Klomp

Het Klooster

Locus Publicus

Het Raadhuis, Schipluiden